Selecteer een pagina

Het staat er nog. Niet voor lang. Omsingeld door een ijzeren hek waarop grote borden zijn gespijkerd: ‘Verboden toegang’. Vertrapte grassprieten, overblijfselen van bomen.
Achter de omheining torent een grijs dak. Een paar dakpannen zijn zichtbaar. Kapotte ramen in de kozijnen. Geen voordeur. Binnen wapperen grijze draden. Aan de voorkant hangt een schommel met gebroken touw.
Daarboven de donkere hemel.

Opnieuw staat de vrouw bij de plek waar niemand woont. Turend door een kier van ijzer. Grijze haren slierten langs haar gegriefde gezicht. Ze lacht even wanneer ze haar schommel ontdekt. Als kind wilde ze daarmee naar de zon vliegen, maar hoger dan de dakgoot kwam ze niet.
Achter het gat waar ooit de bescherming van een massief eikenhouten voordeur heerste, is de keuken zichtbaar. Mama’s geuren omhelsen haar: zuurkool en sudderlapjes. Haar gedachten rennen de trap op. Richting het bovenste raam dat uitzicht biedt op het levendige bos waar zij alleen de weg kent.

‘U moet nu gaan,’ zegt een man met helm tegen haar. De vrouw knikt en verlaat het kale terrein. Terwijl de hemel zwart kleurt, gaat ze op zoek. Naar het gebouw waar ze ‘bewoner’ wordt genoemd, maar waar ze nooit thuis zal zijn.