Selecteer een pagina

“Peter, ik geloof dat ik moet overgeven,” klaagt Frieda, terwijl ze met haar zware lichaam over de reling van de toeristenboot hangt.
Haar man tuurt met zijn verrekijker over de eindeloze zee: “Kijk toch om je heen, het is hier fantastisch. Ze kunnen hier op ieder moment zijn.”

Frieda staart naar beneden, in het diepe blauwe water. Nog nooit heeft ze verder gereisd dan Frankrijk. Ieder jaar gingen zij met de kinderen en de caravan naar hun vaste, vertrouwde camping waar de eigenaar netjes Nederlands sprak. Nu zijn de kinderen groot en zit zij met Peter aan de andere kant van de wereld.

Frieda probeert haar misselijkheid weg te slikken. Ze voelt zich nog beroerder dan tijdens de vreselijke reis naar dit oord; haar allereerste vliegreis. De stewardess gaf haar zakjes tegen luchtziekte, terwijl Peter het uitzicht bewonderde: “Wauw, we zitten echt heel hoog…”
Ook figuurlijk zat hij met zijn hoofd in de wolken. Hij lachte Frieda toe: “Eindelijk tijd voor ons samen. We gaan nu écht wat van de wereld zien.” Haar vliegtuigmaaltijden smaakten hem prima.

In Australië belandden ze in een onbeduidend toeristenbureau. Het meisje aan de balie vertelde over bultruggen en dat je hen kon tegenkomen als je ‘lucky’ was.
Frieda wilde weglopen, maar Peter raakte juist steeds enthousiaster: “Kom op, Frieda. Deze kans moeten we niet laten schieten.”
Tegen het meisje zei hij: “We are lucky people. And you are lucky that you can book us.”
Hij pakte zijn creditcard en Frieda rekende stilletjes uit dat zij er minstens een half jaar over zouden doen om deze reis af te betalen.

Nee, dan kun je beter thuis zijn als je ziek bent, bedenkt Frieda. Nu zit zij heel duur en eenzaam te kotsen, ergens aan de westkust van Australië, opgepropt tussen veertig andere toeristen op een logge boot. Er is niemand die haar helpt, want iedereen koekeloert naar de verte om een bultrug te vinden.
“Ze komen echt wel,” zegt Peter opgetogen.
“Ze zijn er nooit geweest,” antwoordt Frieda zuur terwijl ze haar mond afveegt.

De stem van de gids schreeuwt over het dek. Frieda maakt uit zijn verhaal op dat het vandaag precies twintig jaar geleden is dat hier een toerist spoorloos is verdwenen, waarschijnlijk overboord geslagen. “This person was too excited,” grapt de stem.

”Of hij kon niet meer tegen het geschreeuw van de gids,” mompelt Frieda. Ze is vooral blij dat dit boottochtje over een half uurtje ten einde is zodat ze niet meer over de reling hoeft te hangen. Bovendien vindt ze dit hele gebeuren niet echt bultrug-vriendelijk. Eigenlijk is het zielig dat zulke majestueuze zoogdieren hier in dienst staan van al die suffe toeristenbootjes. Het zou best kunnen dat zij helemaal geen zin hebben in al die aandacht en dat ze er een dagtaak aan hebben om hun grote lijven te verstoppen. Frieda staart naar haar buik die haar vandaag hopeloos in de weg zit: “Ik begrijp jullie wel, geloof ik…”

De stem van de gids wordt nu euforisch en de groep komt in beweging. Iedereen holt, al dringend, naar de andere kant van de boot. Peter laat zich meevoeren met de stroom: “Frieda, we moeten de gids volgen, anders missen we de bultruggen!”
“Ik kom er zo aan, lieverd,” zucht Frieda. Ze voelt zich slap en leeg. Nu Peter niet meer naast haar staat en alle toeristen aan de overkant staan met de rug naar haar toe, geeft ze zich over aan haar eenzaamheid. Haar armen hangen zwaar over de reling. Onwillekeurig buigt ze haar bovenlijf steeds verder naar voren. Het is alsof ze dichter bij de zee komt. Haar lichaam doet pijn, vooral bij haar hartstreek. Ze mist haar kinderen en ondanks dat ze alles samen doet met Peter, is zij hem ook ergens kwijtgeraakt. Haar ogen beginnen vochtig te worden en ze wordt kwaad op zichzelf: dit is niet het moment om sentimenteel te worden. Ze wil niet in huilen uitbarsten tussen de bultruggen die op deze plek trouwens niet lijken te bestaan.

Of ziet ze nu tóch wat? Het lijken wel schaduwen. Frieda knippert met haar ogen. Ze wil Peter roepen, maar haar keel doet pijn en haar stem weigert. Vlak bij haar rijzen twee gedaantes uit het water. Het is alsof deze uit een andere wereld komen; uit een wereld die vrediger is. Hemels bijna. Op dat moment vergeet Frieda dat ze in Australië is. Ze vergeet zelfs haar familie. Haar omgeving bestaat alleen nog uit twee prachtige wezens die de zee volledig onder controle hebben. Zij spelen met het woeste water, als kinderen in een badkuip. Ondanks dat zij nog veel te ver weg zijn, probeert Frieda hen aan te raken. Haar handen reiken nu ver over de reling. De gedaantes komen steeds dichterbij. Frieda’s misselijkheid verdwijnt. Ze voelt zich licht, alsof haar lichaam ieder moment kan opstijgen. Nog even en dan is zij bij hen.

Peter staat met de rest van de groep aan de andere kant van de boot. Gespannen tuurt hij door zijn verrekijker, maar er is geen bultrug te zien. Iedereen houdt zich kalm. Zelfs de gids durft niks te zeggen. Dan klinkt er een enorme plons. Dat moet de sprong van een bultrug zijn! De menigte roept: “Oooh!” en Peter vloekt. Iedereen heeft zijn gezicht aan de verkeerde kant gehad op het cruciale moment. Nu is het te laat. Hij rent terug naar zijn eerdere plek aan de reling en roept: “Frieda! Heb je nog wat kunnen zien? Ik hoorde een plons!”
Frieda staat er niet meer. De zee is stil geworden.