Selecteer een pagina

Hier houdt mijn reis op. Op Kuala Lumpur International Airport. In Maleisië voel ik mij thuis. Je zou kunnen stellen dat zelfs ik -een kaaskop pur sang- ben ingeburgerd. Ik ken het verkeer in Kuala Lumpur (heerlijk chaotisch), ik weet waar je lekker kunt eten en Aziatische toiletten hebben geen geheimen voor mij.

Vanuit de glazen vertrekhal kijk ik naar buiten; het is nacht. Ik zie vaag de Boeing 747 die mij naar huis zal brengen. Nederland komt nu echt steeds dichterbij. Mijn buik doet pijn. Ik moet verder. Door het metaaldetectiepoortje dat hartverscheurend ‘Wieuwiewieuwwieuwiewieuw!’ doet. Het lijkt wel alsof dat ding tegen mij schreeuwt: ‘Niet weggaan! Niet weggaan!’

Een vreemde vrouw strijkt met haar handen over mijn lichaam. Haar vingers glijden over mijn bh om te onderzoeken of daarin -behalve borsten- nog andere dingen zijn verpakt. Ik onderga het gelaten; dit is de vierde en laatste keer dat ik word gefouilleerd. Dan gebaart de vrouw dat ik door mag lopen. Het metaaldetectiepoortje blijft wieuwiewieuwwieuwiewieuw’end achter.

Een tijd geleden was er een reclamespot van ‘de blauwe luchtvaartmaatschappij’ waarin twee doldwaze mensen door een Aziatische stad raceten om als eerste in het vliegtuig te zitten naar Nederland. ‘Welkom thuis!’ juichte de reclame. Nu ik zelf op het punt sta om bij de blauwe maatschappij in te stappen, word ik boos op de bedenkers van deze reclame. Zouden deze minkukels ooit een Aziatische stad écht hebben bekeken? Bewonderd? Beleefd?

Ik sluit mijn ogen en waan mezelf midden in Kuala Lumpur. De geur van uitlaatgassen, durian (een vrucht dat ruikt naar rottend fruit), gebakken groenten en gekruide gerechten. Ik maak opnieuw de reis naar de theevelden van Cameron Highlands, ik proef scones met aardbeien. Op de boot richting Taman Negara kom ik apen tegen en ijsvogels. Ik beklim hoge bruggen en vleermuizengrotten. Terug in Kuala Lumpur bezichtig ik natuurparken, machtige torens en een winkelcentrum met een achtbaan erin. Ik heb rijkdom ontdekt en armoede gezien. Er zijn zoveel dingen die ik niet begrijp en zoveel dingen die ik nog moet ontdekken…

Als die reclame-bobo’s daadwerkelijk oog zouden hebben voor de schoonheid van Azië, dan hadden die acteurs uit dat spotje zich niet gehaast. Ze zouden diep onder de indruk zijn van al het moois dat ze zagen en dus nooit rennen als een kip zonder kop om het eerstvolgende vliegtuig te halen.

Ik open mijn ogen. De wachtruimte is inmiddels gevuld met een menigte Nederlanders. Ik vang gesprekken op over gekochte memorysticks en het causale verband tussen neerstorten en de kleur van het vliegtuig. Een vrouw beweert dat je iemand pas een kunstenaar kunt noemen wanneer je niks van zijn kunst snapt. Ik begrijp het niet.

De menigte verplaatst zich. Het is tijd om in te stappen. Traag loop ik door de slurf die als een navelstreng aan de Boeing hangt. Nog even ben ik veilig verbonden met Maleisië. Een deel van mij zal hier achterblijven. Ik wurm mezelf door het gangpad van het vliegtuig en neem plaats. Om me heen klinkt geritsel. Nederlandse kranten. Ik staar door het raam. De slurf wordt losgekoppeld. Ik slik. Het vliegtuig zet zich in beweging. Nog twaalf uur voordat ik weer in Nederland ben; mijn vreemde thuisland. Ik ga een lange nacht tegemoet.