Selecteer een pagina

Wanneer hij ontwaakt in het donker,
probeert zijn lichaam zich te vormen
naar zijn ideaal, de droom
die hij vergeet wanneer het licht wordt.

Hij weet alleen dat hij op weg ging;
de nachtelijke zwerftocht in colonnes,
het strippen van een eikenboom,
kleine kronkels krioelden om hem heen.

Nu hangt hij ingesponnen te wachten
op zijn reïncarnatie, de cocon
zal hem beschermen en baren.
Zijn haren heeft hij geofferd aan de wind.

Wanneer ik ontwaak in de morgen
probeert mijn lichaam zich te vormen
naar een ideaal, de duistere droom
openbaart zich bij daglicht.

Zijn haren verschroeien mijn huid;
krabbend schrompel ik ineen,
kronkelend en smachtend, in mijn obsessie
verlang ik naar transformatie in de nacht.