Selecteer een pagina

“Ik wil toch even kwijt dat ik vind dat je teveel gaapt,” zegt een oudere man die ik niet ken.
“O?” mompel ik.
“Ja, je zit zo te gapen dat ik er zelf ook van moet gapen.” Om er zeker van te zijn dat ik hem begrijp, doet de man zijn mond zo wijd mogelijk open.
“Ehm, sorry,” stamel ik. Ik ben mij van geen kwaad bewust. Naar mijn weten zit ik gewoon in de bibliotheek. Te denken over wat ik wil typen. Of eigenlijk te balen, omdat er niks uit mijn vingers lijkt te komen. Flexwerken is minder eenvoudig dan ik dacht…

Het leek allemaal zo ideaal. Dat mijn werk bij KPN ophield, was niet handig. Toch zag ik een aantal voordelen. Niet meer dagelijks om stipt 8:00 met een halfslaperig hoofd achter de computer hoeven zitten. Zelf weten wanneer je pauze neemt en natuurlijk ook waar je gaat werken. Zoveel flexibiliteit: dat moest wel een bestseller opleveren of wie weet… Een eigen theater-voorstelling (waarover ik het al jaren heb). Eindelijk dé brief schrijven voor een droomfunctie. Of toch een eigen bedrijf?

Onverstaanbare geluiden in de openbare bibliotheek voorkomen dat ik een bestseller kan schrijven.

De openbare bibliotheek blijkt een nogal bijzondere flexplek waar ik constant uit mijn concentratie word gehaald. Om verschillende redenen. Op de begane grond is een expositie over duurzame energie. Je zou denken dat je hierbij zoveel mogelijk apparaten uitzet, maar niks is minder waar. Er staan allerlei mixers non-stop te draaien. “Wrrrroemmm! Wrrrroemmm!” Niet echt handig als je stilte nodig hebt.

ditje158flexwerkIk zoek mijn heil afwisselend op de eerste en tweede verdieping, maar kan het niet vinden. Dat komt o.a. omdat er telkens een jongen rondloopt die aan het bellen is in een vreemde taal. Als hij ziet dat ik hem zie, zegt hij beleefd: “Sorry mevrouw” en vervolgt zijn telefoongesprek. Terwijl ik hem probeer te negeren, hoor ik gefluister van vrouwen. Hun gesprek is zwaar geheim, maar de hele zaal kan hen horen. “HOUD JE MOND OF PRAAT OP NORMAAL GELUIDSNIVEAU!” wil ik roepen. In plaats daarvan trek ik een super-kwaad gezicht (lekker passief-agressief) en pak met veel bombarie mijn spullen in.

De Universiteitsbibliotheek dan maar. Als ik daar de zaal zie, schrik ik: allemaal tafels en computers waar mensen aan het werk zijn. Het valt mij op dat er nog maar weinig boekenkasten zijn: overal zijn er flex-plekken, het lijkt wel een fabriek. Ik waan mij veilig bij de boekenkasten. Fout. Zelfs náást de boekenkasten zijn er werkplekken: vanuit ieder hoekje word ik aangestaard. Ik vlucht naar de koffiekamer en ga daar aan de slag. Net als ik een paar alinea’s heb geschreven, ontdek ik een meisje vlak achter mij. Ze zit met haar vriendin in de vensterbank te discussiëren. Weg concentratie. En weg ben ik. Naar een koffie-café. Best een goed idee: gewoon lekker hip met een latte naast mij, een bestseller schrijven. Of toch niet?

Latte, Facebook, Twitter en Verkleumde Hersens

Behalve latte, is er ook wifi. Handig. Ik check Facebook, Twitter en het wereldwijde web. En ik check nog een keer Facebook, Twitter en het wereldwijde web. He, er zijn bekenden hier. Gezellig! Ik neurie mee met de muziek en bedenk dat ik ook nog iets moet doen, of zo. Ik zet mijn laptop tussen de cake-kruimels van de vorige gast. Niet fijn. Hoewel ik graag chaos om mij heen creëer, werken kruimels en rotzooi van anderen mij flink op de zenuwen. Ik krijg ondertussen vier keer koffie aangeboden die ik niet heb besteld, wat ik graag zou willen aannemen maar toch niet doe. Weg workflow. Gelukkig heeft het koffie-café een aparte ruimte waar ik in alle rust mijn levenswerk kan voltooien (al moet ik daar nog mee beginnen). Ik ga rustig zitten en probeer de tosti-kruimels van mijn voorganger te negeren. Dan voel ik mij rustig worden. Te rustig. Ik produceer niks. Dan besef ik: niet zo raar, het is hier bijna net zo koud als buiten. Mijn hersens zijn aan het verkleumen.

Het hier en nu… Ik ben net Bambi.

Ik bibber na bij de kachel thuis en bedenk dat thuiswerken een optie is. Mits de afwas aan kant is, ik zeker weet dat alles muis-vrij is en alle wasjes zijn gedaan. Ik ren naar boven, gooi Glorix in de wc en stop mijn afgedankte kleding in de rode zak voor de kringloop. Nuttig, maar op die manier komt die bestseller er natuurlijk nooit. Ik sleep mij daarom terug naar het beginpunt van mijn lange flexwerk-reis: de openbare bibliotheek. De dag is al bijna voorbij, ik kan nog maar weinig productiefs doen. Gelukkig zijn er nu ook minder mensen in de bibliotheek. Ik ga zitten op een rustige plek en doe een poging tot concentratie. Dan hoor ik op de verdieping een grote groep mensen lopen. Ze praten hard. Als ik mij omdraai, gaat het: “FLITS!” Ik sta met een verschrikte Bambi-blik op andermans foto… Ik knipper met mijn ogen en probeer aan mindfulness te denken (“Merk op wat er gebeurt en ga dan weer terug naar het hier en nu”) en zie voor me hoe ik een fotocamera in het kanaal werp.

Nu heb ik het ergste wel gehad op flexwerk-gebied, bedenk ik. De man naast mij, lijkt dat te horen en hij sluit een scan-apparaat aan voor A4’tjes. Blaadje voor blaadje haalt hij erdoor. “Zoem…, zoem… zoem…” Enzovoort. Enzovoort. Enzovoort. Ik staar ondertussen wezenloos naar mijn scherm. Gaat het lukken om een schrijfhok te vinden? Een plek waar mijn laptop en ik rustig kunnen werken? Desnoods een bezemkast zonder wifi. Zolang er maar geen kruimels van anderen liggen en ik niet word afgeleid. Dat is mijn droom. Dan loopt er een oudere man op mij af: “Ik wil toch even kwijt dat ik vind dat je teveel gaapt.”